Aarle-Rixtel 2001
Source: ACVU
De aanleg van een boomstam-waterput moet in het verleden een enorme klus zijn geweest, waar meerdere mensen bij betrokken waren. Om te beginnen moest een geschikte boom worden gekapt en de stam worden uitgehold. De stam werd in meerdere delen gekliefd om het uithol-proces te vergemakkelijken. Nadat de stukken uitgehold waren moesten ze weer tegen elkaar aan bevestigd worden. Vervolgens werd, bij voorkeur in een drogere periode, een grote kuil (insteek) gegraven tot aan het grondwater. De uitgeholde boomstam werd in het grote gat gezet en nog een stuk de grond in geslagen, waarna de kuil weer werd dichtgegooid. De waterput was dan klaar voor gebruik en door middel van een emmer kon het water naar boven worden gehaald.
In de vulling van waterputten worden tijdens opgravingen vaak veel vondsten gedaan. Tijdens het gebruik zullen zaden en pollen uit de directe omgeving in de waterput terecht zijn gekomen. Door monsters van de vulling te nemen kan meer te weten worden gekomen over de flora ten tijde van de waterput. Daarnaast is het ook denkbaar dat de gebruikers per ongeluk voorwerpen in de put hebben laten vallen en worden in onbruik geraakte waterputten vaak als vuilstortplaats gebruikt. Door deze voorwerpen kan een beeld worden verkregen van de gebruikers van de waterput. Gecombineerd met vondsten uit de insteek is het verder mogelijk de aanleg en het in onbruik raken van de put te dateren.
|